| |
| Op deze Goudestein site alles over de historie, het huis en zijn indeling en het interieur van deze buitenplaats. |
| |
|
| |
|
 |
Langs de rivier de Vecht liggen veel buitenplaatsen.
De voormalige buitenplaats Goudestein was van 1957 tot 1 januari 2011 het gemeentehuis van Maarssen.
In het koetshuis zijn het Nederlands Drogisterij Museum en het Museum Maarssen gevestigd.
Het landhuis heeft een vierkante plattegrond en wordt afgedekt door een afgeplat schilddak van blauwe pannen. Op de hoeken staan vier schoorstenen met windkappen en windvaantjes (helmteken Huydecoper). |
Het koetshuis met de ingang van het Nederlands Drogisterij Museum |
 |

Joan Huydecoper |
Constantijn Huygens (1596-1687)
Lof van Goudestein
Aan Joan Huydecoper van Maarseveen
Ik heb zo'n zware strijd met deze Vecht te vechten.
Haar schoonheid, Maarseveen, tast mij zo vriendelijk aan,
Dat ik moet vluchten, niet voor de eer van uw gerechten,
Maar om uw zoete Vechts aanvechtingen te ontgaan.
Ik doe net, Maarseveen, als stoute kinderen plechten,
Diem' aan de les op school moet houden met een wenk:
Ik zit op Hofwijk staag aan Goudestein en denk,
En vliede van mijn Vliet om voor uw Vecht te vechten.
Heel Voorburg komt in roer om tegen mij te rechten
Voor de ere van de plaats, die 't volk zegt dat ik krenk,
Als ik uw Maarseveen te lang een lofdicht schenk
En voor de Vecht alleen te veel lauriers wil vlechten.
Maar ik ben bijna klaar met pleiten. Zij zijn 't kwijt
Eerz' omzien. Goed of kwaad, zij moeten 't mij wel geven
Daar ik ze met geweld van redenen verbijt,
En roeme Maarseveens paleizens burig leven,
De liefelijke lucht in allerhande weer, De klaarheid van de stroom en 't blank hart van de heer.
Nu weet ik 't,Maarseveen, 't is licht om te verzinnen,
Waarom uw Goudestein door velen wordt bemind.
Waarom uw Goudestein
van velen werd bemind:
Twee lieve dingen doen't,
en die m'er altoos vindt,
De zoete Vecht voor deur,
en zoete vocht vanbinnen. |
| |
|
|
|
| |
Constantijn Huygens (1596-1687)
Ik heb zon zware strijd met deze Vecht te vechten.
Haar schoonheid, Maarsseveen, tast mij zo vriendelijk aan,
Dat ik moet vluchten, niet voor de eer van uw gerechten,
Maar om uw zoete Vechts aanvechtingen te ontgaan.'
|
| |
|